Taalvorming is een manier van werken die vertellen, luisteren, schrijven en (voor)lezen op een natuurlijke manier aan elkaar verbindt. Al jaren werkt een aantal scholen, met name in Amsterdam, met deze werkwijze of is bezig taalvorming in te voeren in het taalonderwijs. Zodoende zijn consulenten taalvorming een aantal jaren verbonden aan scholen om directie, team en individuele leerkrachten te begeleiden en te coachen.
Al vijf jaar bezoek ik heel regelmatig de st. Lukasschool. Op het plein voor de school staan vaak ouders op hun kinderen te wachten, of ze maken nog even een praatje met elkaar nadat ze hun kinderen hebben weggebracht. Het merendeel van de moeders is gehoofddoekt, de talen die je er hoort zijn Arabisch, Berbers, Turks, Farsi, een beetje Nederlands en nog wat andere talen. Er zijn veel groepjes ouders maar ook een aantal eenlingen. Mijn werk bestaat voor een groot deel uit praten met en luisteren naar kinderen en het ondersteunen van leerkrachten om dat beter te leren. De kinderen vertellen over eigen ervaringen, hun dagelijkse leven en de wereld om hen heen. Lopend over het schoolplein van de Lukasschool besef ik dat ik wel de kinderen maar niet hun ouders ken. We wonen in dezelfde stad maar zijn werelden verwijderd van elkaar.
Al jaren begeleiden we scholen met het implementeren van taalvorming in het onderwijs. We ervaren dagelijks dat onze werkwijze kinderen stimuleert om meer en beter te vertellen in het Nederlands, dat het delen van eigen ervaringen de onderlinge banden tussen kinderen in een groep versterkt en dat de motivatie om goed Nederlands te praten groter wordt. Waarom zou wat goed werkt bij de kinderen niet ook goed werken voor hun ouders? We kennen natuurlijk het effect van taalvorming bij volwassenen als leerkrachten of studenten. Ook hebben we in het verleden positieve ervaringen opgedaan in Nederlandse alfabetiseringsgroepen.
Najaar 2004 zijn we op de St. Lukasschool gestart met een cursus ‘Taalvorming met ouders’. Het doel van de cursus was: - De betrokkenheid bij de school vergroten door ouders zelf te laten ervaren hoe de ervaringskringen die hun kinderen regelmatig in de klas houden, in hun werk gaan. - Een plek bieden om ouders, onder goede begeleiding, Nederlands met elkaar te laten praten - Ouders met verschillende moedertalen gelegenheid geven om meer contact met elkaar te krijgen. - Voor de school: ouders op een andere manier leren kennen.
Aan de eerste cursus namen 16 moeders deel. Een mix van Marokkaanse, Turkse, Iranese en Afghaanse vrouwen. De eerste keer dat ze het lokaal binnenkwamen hielden de meeste vrouwen hun jassen aan en gingen met hun tas op schoot op een stoel zitten. Slechts enkelen durfden uit zichzelf iets te zeggen. Een namenrondje ging voorzichtig en met al die buitenlandse namen die bijna allemaal veel A’s in zich hebben, was het voor mij moeilijk om ze te onthouden en uit elkaar te houden. Ik had diverse poppenhuismeubeltjes meegenomen en vertelde over een kast in mijn slaapkamer die niet meer goed dicht gaat. Naar aanleiding daarvan vertelden alle moeders over meubels bij hen in huis. Een simpel onderwerp maar iedereen had er iets over te vertellen, van het ene verhaal kwam het andere. Er werd naar elkaar geluisterd, er werd vertaald, naar woorden gezocht, woorden gevonden, uitspraken geoefend, maar bovenal was er veel herkenning en een grote motivatie bij iedereen om Nederlands te praten. Ik vond het geweldig om te doen. Een groep met alleen maar gemotiveerde mensen. Wel ontdekte ik enigszins verbijsterd dat een aantal vrouwen nog nooit enige vorm van onderwijs bleek te hebben genoten. Voor hen was niet alleen de taal ‘nieuw’. Het hele idee van structuur, op je beurt wachten en luisteren als een ander aan de beurt is, kenden zij niet. Analfabetisme is zoveel meer dan niet kunnen lezen of schrijven. Met name bij die vrouwen bespeurde ik gedurende de cursus een groeiend zelfvertrouwen. Want tijdens de vertelkring kunnen zij net zo gelijkwaardig meedoen als iedere geletterde deelnemer. En de mate van alfabetisering houdt geen verband met de mate van mondelinge taalvaardigheid.
Steeds werken we min of meer met dezelfde structuur. In de kring stellen we ons aan elkaar voor. Elke week met een andere toevoeging. Bijvoorbeeld: je zegt ‘Ik ben’ en je naam en je noemt een ding dat je vanmorgen in je handen hebt gehad, of je noemt iemand die je gegroet hebt vandaag, of je noemt iets waar je altijd langskomt op weg naar school. Daarna houden we een vertelkring over een bepaald onderwerp. Vertellen n.a.v. voorwerpen, een gebeurtenis, een (prenten)boek, een verhaal dat een van de kinderen in de klas tijdens een taalronde heeft getekend en/of geschreven etc. Altijd gaat het over iets wat we zelf hebben meegemaakt. Het aantal onderwerpen is eindeloos. Iedere week dienen zich er legio aan. Na het vertellen gaan we schrijven en tekenen. Uiteindelijk ligt er na elke les een boekje met alle verhalen van de deelnemers.
We zitten met 20 moeders in de kring en praten over hoe we vroeger toen we kind waren speelden en waarmee. Kadija vertelt in heel moeizaam Nederlands. Eigenlijk zegt ze een paar losse woorden, die ik dan herhaal in een goede zin. H: ’Je maakte iets samen met een vriendin?’ K: ‘Ja’. Ze maakt duidelijk dat ze het woord niet kent. H: ‘Wat deden jullie er mee?’ Kadija kan de woorden niet vinden, vraagt in het Marokkaans aan andere moeders. Maar niemand weet de Nederlandse woorden. Ze staat op, trekt haar rokken iets omhoog en gaat hinkelen. Ik sta ook op en ga hinkelen. Een paar moeders doet hetzelfde. H: ‘Is dit wat jullie deden?’ Kadija knikt. Andere moeders knikken en vertalen voor elkaar. ‘We gingen hinkelen’, geef ik aan Kadija. Ze herhaalt mijn woorden. En andere moeders ook. H: ‘En waar gingen jullie hinkelen? Wat jullie ervoor maakten, waar deed je dat?’ Kadija wijst naar de grond. ‘Grond,’ weet ze. H: ‘En hoe ging dat dan precies? Hoe hinkelden jullie?’ Kadija ’tekent’ met haar vingers een paar vlakken op de grond en telt: 1, 2 ,3 en verder. H: ‘Jullie hadden een hinkelbaan gemaakt, dat heet een hinkelbaan.' Kadija knikt. ‘Steen’, zegt ze. En ze doet net of ze een steen voorzichtig voor zich uitgooit. H: Jullie hadden een hinkelbaan gemaakt en gooiden met een steen op de vakken? Kadija knikt.
H: 'Was het een harde grond of was die grond van zand?' K: ‘Nee, steen.’ H: 'De grond was van steen?' Kadija knikt, ‘Ik woonde in de stad.’ Omdat nog niet alle moeders precies begrijpen wat een hinkelbaan is, teken ik een hinkelbaan zoals ik die ken op het bord. 'Nee,' roepen verschillende moeders,'Bij ons was dat anders.' H: ‘Teken het er maar bij.’ Er komt nog een hinkelbaan op het bord die er net anders uit ziet dan die van mij. We praten door over hinkelen. Het blijkt dat in alle landen waar wij vandaan komen gehinkeld wordt. De spelregels verschillen en hoe je hem maakt hangt af van de ondergrond. Op steen en asfalt wordt er met krijtjes en potscherven getekend, in het zand worden er met een stokje of je vinger vakken getekend.
De acht keer vlogen om en het was duidelijk dat er een vervolg moest komen. We sloten de cursus af met een feestelijke bijeenkomst en een certificaat voor alle deelnemers. Bij de evaluatie met de ouders stelden we de vraag: wat heb je er nu aan gehad? De antwoorden varieerden van ‘Ik durf nu meer, ik ging van de week alleen naar de dokter.' tot ‘Ik weet nu hoe ik de verleden tijd moet toepassen’. Alle weken daarna stonden er ouders bij de directie op de stoep met de vraag wanneer de volgende cursus zou beginnen.
De groep was zeer divers: analfabeet naast zeer geletterd in eigen taal, krom Nederlands sprekend, maar je wel kunnen redden, tot nauwelijks enige Nederlandse woordenschat. Voor de mondelinge taalvaardigheid en de sociale vaardigheden ervaar ik dat als een groot voordeel. Voor de schriftelijke verwerking van de verhalen in de kring ligt dat genuanceerder. Analfabete ouders vragen relatief meer begeleiding en boeken op schriftelijke taalvaardigheid de kleinste vooruitgang, terwijl juist de geletterde deelnemers die begeleiding hard nodig hebben om steeds een stapje verder te komen. Net als bij kleuters, schrijven wij de tekst op , die een analfabete ouder vertelt. Onze bedoeling is immers dat alle verhalen tot hun recht komen in het uiteindelijke boekje. Geletterde ouders schrijven zelf in klad, wij verbeteren individueel en ieder schrijft vervolgens haar eigen tekst over in het net. Ook de analfabete moeders willen hun eigen tekst zelf overschrijven. Eigenlijk wordt het dan natekenen van de tekens. De eindresultaten zien er dan als volgt uit:
Om tegemoet te kunnen komen aan de verschillende begeleidingsvragen op het schriftelijke vlak, werken wij het liefst met een groep van 20 cursisten waar we twee docenten op kunnen zetten. Na de vertelkring kunnen we dan in twee groepen uit elkaar. De ene groep gaat werken aan woordenschat, letterherkenning en eenvoudig hakken en plakken, terwijl de andere groep gezamenlijk een tekst op het bord bespreekt.
De achtergronden en het scholings- en taalniveau van de ouders waren zo divers, dat ze in het ‘potjesland’ dat Nederland is, onder verschillende financieringsstromen vielen. Dat allemaal in één cursus gefinancierd te krijgen bleek een groot probleem. Gelukkig is er na veel geworstel over geld per 1-1-2006 een nieuwe speciale subsidie ‘Taal en ouderbetrokkenheid’ door de Gemeente Amsterdam in het leven geroepen. Daarbij gaat het nadrukkelijk niet alleen om de Nederlandse taal maar juist ook om de ouderbetrokkenheid. Sinds de nieuwe financieringsmogelijkheden zijn we overgestapt van korte cursussen van 8 à 10 keer naar wekelijkse bijeenkomsten gedurende het hele schooljaar. De moeders zeiden steeds vaker:'Als de kinderen op school zijn, willen wij ook naar school.'
De ouders blijven enthousiast, er kwamen er ook steeds meer. Uitval is er ook vanwege een bevalling, een reguliere taalcursus op dat tijdstip en ook emigratie. De doelen waar we aan werken bleven hetzelfde, maar ontwikkelden zich ook: Mondelinge taalvaardigheid, sociale vaardigheden, ouderbetrokkenheid bij de school, praten met elkaar, bevorderen van deze manier van praten met je kinderen thuis en ook woordenschat staan op het programma.
Voor een aantal moeders is de cursus een voortraject, het is heel laagdrempelig. Verschillende vrouwen hebben al de overstap durven maken naar een reguliere taalcursus. Andere cursisten volgen een reguliere taalcursus, maar willen toch niet wegblijven bij onze wekelijkse bijeenkomsten. ‘Waar anders kan ik het praten in het Nederlands oefenen?’ Plus: ‘Het is gezellig, ik heb contact met andere moeders van school. We praten over dingen waar we anders niet over zouden kunnen praten. Ik leer er zoveel van. Ik begrijp nu beter wat mijn kinderen op school doen.’ Ook nemen we de ouders regelmatig mee naar de bibliotheek, naar reintegratiebijeenkomsten en stimuleren we ze (met succes) om naar speciale interculturele bijeenkomsten voor vrouwen in de Balie te gaan.
Regelmatig neem ik een groepje ouders mee de klassen in om een taalvormingskring in de klas mee te maken. Het is hartverwarmend om te zien, hoe de moeders genieten van het praten met de kinderen op deze manier en hoe vanzelfsprekend de kinderen de aanwezigheid van de moeders accepteren. En om te merken dat analfabetisme, op geen enkele manier een moeder belemmert om volwaardig aan een taalvormingsronde mee te doen. Moeders zijn actief en betrokken in de klas. Ze luisteren en zijn oprecht nieuwsgierig naar de verhalen van de kinderen. Een Marokkaanse moeder in een geanimeerd tweetalgesprek met een Turks kind. Een Iraanse moeder in gesprek met een Nederlands kind. De kinderen zijn enthousiast, de moeders en de leerkrachten ook. De school leert ouders van een andere kant en beter kennen.
Sinds ik met deze vrouwen werk is er ook voor mij iets veranderd. Vroeger zag ik veel hoofddoeken op straat in de stad. Tegenwoordig zie ik veel vrouwen die een hoofddoek dragen.
Schooljaar 2006/2007 draaien er op 9 scholen in Amsterdam cursussen ‘Taalvorming met ouders’. De ervaring leert dat een combinatie van werken met taalvorming binnen het onderwijs van de school én met de ouders het meeste oplevert.