actueeltaalvorming in de praktijktaalvorming en drama
taalvorming en theoriën over onderwijs en taaloverzicht

Actueel

Spelen met taal

Kunst raakt kinderen soms op een onverwachte manier, zo bleek in groep zeven/acht van een Amsterdamse basisschool. In de les stond een schilderij centraal van Keith Haring met daarop twee menselijke figuren die elkaar omhelzen. Een Marokkaanse jongen wendde zich af van het schilderij en weigerde mee te doen met de les: het waren twee homo’s, wist hij.

Via het thema vriendschap en verliefdheid – aanleiding voor gegiechel - kwam het gesprek met de rest van de klas uiteindelijk uit op ‘eeuwige liefde’. Waarna de Marokkaanse jongen zich plotseling toch weer in de groep mengde. Nee hoor, zei hij, het was geen eeuwige liefde, daar op dat schilderij. Het was een afscheid: “Eentje gaat naar Marokko en komt nooit meer terug.”
Het moment heeft indruk gemaakt op Liesbet Bool, dramaconsulent van stichting Taalvorming. En niet alleen op haar, zegt ze. “De hele klas viel stil.” Bool merkt het vaak als ze kinderen uitnodigt om over een kunstwerk te praten: er komt pas een echte uitwisseling tot stand als kinderen eigen ervaringen inbrengen die iedereen raken.

parool 2.jpgKunstwerk als middel om kinderen zover te krijgen dat vrijuit te spreken over wat ze denken, voelen, zien en zelf hebben meegemaakt. Dat is het doel van het ‘TET-project’: Taal en Toneel. Liesbet Bool en haar collega Esther de Koning ontwikkelden de methode in samenwerking met  zes Amsterdamse basisscholen. Ze kregen subsidie van het Amsterdams Fonds voor de Kunst. Kinderen die doorgaans weinig in aanraking komen met kunst, leren om naar kunst te kijken en ontdekken wat dit bij hen kan oproepen. Maar het vergroot ook hun taalvaardigheid én hun sociale vaardigheden.
“Kinderen die in een taalarme omgeving opgroeien, of die thuis nauwelijks of geen Nederlands spreken, blijven vaak achter als het gaat om hun woordenschat of hun zinsopbouw,” zegt Bool. “Alles heet ‘een ding’, alles is ‘leuk’ of ‘stom’. Door met hen te praten over een schilderij en vervolgens over iets wat ze zelf hebben meegemaakt, probeer ik kinderen taal te ontlokken, hun verbeelding te prikkelen en ze te laten beseffen dat wat je zegt, ook echt iets betekent.”
Drama blijkt daarvoor een heel geschikte werkvorm. “Juist ook voor kinderen die niet zo goed Nederlands spreken: iets uitbeelden kun je tenslotte ook zonder taal,” zegt Bool. Al (toneel)spelend kun je een kind prikkelen om meer taal te gebruiken. Bool: “Het toneelstukje is steeds de check: is dit wat je bedoelt? Ziet het er echt zó uit?”
Soms neemt Bool teksten die de kinderen hebben geschreven als uitgangspunt en laat ze een leerling zijn eigen tekst in scène zetten. “Daar heb je heel veel taal voor nodig. Dat kind moet zorgen dat andere kinderen zo goed mogelijk uitbeelden wat hij  bedoelt. Stel: iemand wil laten naspelen dat zijn moeder boos werd. Hoe zag ze eruit? Door vragen van de acteurs en het publiek, blijkt dat de moeder ‘fronsend’ keek. Zo krijgt de scène meer diepgang en de taal steeds meer nuance.”

Een van de basisscholen waar Bool als vaste consulent werkt is De Avonturijn, in De Pijp. Voor het bord in groep zes stalt ze een reproductie uit van een (detail uit een) vijftiende-eeuws schilderij van Pierro della Francesca: Kruisoprichting. Op de vraag wat de kinderen zien, komen antwoorden als ‘een hoofd’, ‘stippeltjes’ en ‘een neus’. En hoe is de sfeer? ‘Ernstig’, wordt er geopperd en: ‘rustig’, ‘verdrietig’.
“Waarom verdrietig?” wil Bool weten. “Er is iemand weggegaan,” meent iemand. “Er is ruzie geweest,” zegt een ander. Bool laat de kinderen proberen net zo te kijken als de figuur op het schilderij. Daarna worden de kinderen in tweetallen aan het werk gezet om elkaars gezichtsuitdrukkingen na te bootsen.
Dan komt het gesprek in de klas op het thema verveling. Sonal vertelt dat ze zich zondagmiddag vaak verveelt en dan, in haar eentje, door het Oosterpark gaat wandelen. “Hoe doe je dat dan?” vraagt Bool, waarop Sonal opstaat en langzaam naar voren loopt. De klas volgt haar bewegingen geconcentreerd. Voor de groep knielt ze neer, bij een denkbeeldige vijver, en begint een trage monoloog: “Is er nou niets te doen in het leven, behalve kijken naar de eenden? Alles is al gedaan.”
“Maar heb je dan geen vriendinnen in de buurt?” vraagt iemand als Sonal haar spel heeft beëindigd (en nog altijd roerloos op de grond zit). Nee. “Is er geen speeltuintje?” Jawel, maar daar zijn geen andere kinderen. “Ga je wel eens op bezoek bij een klasgenootje?” vraagt Bool. “Ik woon te ver uit de buurt,” zegt Sonal. Dan heeft een van de meisjes een idee: “Mijn oma woont bij jou in de buurt, dus dan kan ik wel eens bij je op bezoek komen.” Voor het eerst klaart Sonals gezicht op.

parool 1.jpgDirecteur Gerda Beikes van De Avonturijn heeft het geregeld meegemaakt: kinderen die doorgaans op de achtergrond blijven of  ‘taalzwak’ heten, blijken een geweldig talent voor drama te hebben. “Dat is dan echt een eye opener,” zegt Beikes. “Daarmee profileert het kind zich in de groep en daar groeien die kinderen enorm van.”
Want behalve met taalvaardigheid, heeft drama heel veel te maken met sociale vaardigheden: luisteren naar elkaar, samenwerken, een ander ruimte geven waardoor elk kind zich veilig voelt om zich te uiten. “Bij de TET-lessen leren de kinderen dat het gaat om hun associatie,” zegt Beikes. “Er bestaat geen goed of fout. Wat jij denkt, is goed.”
Ook juf Rinia Hoebba, al 33 jaar in het vak, ziet kinderen dankzij de dramalessen groeien. Ze is door Bool begeleid om zelf dramalessen te geven. “Vroeger werkten we met taalmethodes, maar daarbij waren de kinderen niet zo betrokken. Tegenwoordig werken we met teksten die kinderen zelf hebben geschreven, over dingen die ze zelf hebben meegemaakt. Dat werkt veel beter. In de eerste versie staan vaak nog veel algemeenheden. Door een tekst te laten uitspelen, en elkaar woorden aan te reiken, worden kinderen preciezer en beeldender in hun taalgebruik. Dat lees je later terug in rijkere teksten.”
In het toneelspel blijkt ook dat de manier waarop je iets zegt of speelt, ertoe doet, zegt Hoebba: “Bijvoorbeeld: als er een probleem moet worden gespeeld, dan bespreken we hoe je je in zulke situaties kunt opstellen. Dat heeft veel met je woordkeuze te maken, maar ook met je lichaamshouding: hoe je kijkt, je stem. In drama komt heel veel bij elkaar.”

 

Te veel kinderen verlaten de basisschool met een taalachterstand. Het is een breed gedeelde klacht; over de oorzaken en oplossingen lopen de meningen uiteen. Stichting Taalvorming helpt – met name Amsterdamse – basisscholen het taalonderwijs te verbeteren. Niet door andere taalmethodes aan te bieden. Die methodes zijn te passief, meent de stichting, vooral voor kinderen van wie het Nederlands niet de moedertaal is. Zij kunnen misschien wel een invulles uit een boek maken, maar blijken die kennis niet of nauwelijks in hun eigen taalgebruik toe te passen. Zij worden pas taalvaardiger door de taal te gebruiken: al pratend, spelend, lezend en schrijvend. Bij ‘taalvorming’ is alles erop gericht leerkrachten en leerlingen actiever en creatiever te maken met taal. Eigen ervaringen zijn daarbij het uitgangspunt én de wens om die ervaringen met anderen te delen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit artikel is geschreven door Truska Bast en verscheen in het Parool op 3 september 2009