’s Ochtends zitten we zonder een onderwerp te hebben voorbereid in groep vijf. Ik heb een stapel onderleggers gehaald, potloden, de tekstschriften van de kinderen, papier met verschillende soorten kaders voor tekeningen, zwarte pennen, een gekleurd kaftje. Zodat ik alle kanten op kan.
De kinderen druppelen de klas binnen en ik ga tussen ze in zitten en hoor hoe ze met elkaar praten over het Sint Maarten lopen gisteravond. Over hoe ze bij juffrouw Cisca’s huis aanbelden. En andere dingen die gebeurden bij het aanbellen. En het snoep dat ze gekregen hebben. In mijn hoofd begint zich iets te vormen waarover misschien de taalronde kan gaan. Niet alleen over het Sint Maarten lopen, denk ik, dat is een beetje saai en bovendien heeft misschien niet iedereen het gedaan. Wel misschien over snoep: dat kan ik uitbreiden naar allerlei soorten snoep die je vaak of graag eet, hoe het er uit ziet, hoe je het precies eet, waar je het koopt of krijgt... Om in de kring te komen bedenk ik, nog steeds een beetje in de Sint Maarten-sfeer en denkend over aanbellen bij voordeuren, dat we op volgorde van je eigen huisnummer kunnen gaan zitten. Dat gebeurt – in globale groepen van tientallen en honderdtallen gaan de kinderen zitten. We doen vervolgens een namenronde. Ik wil altijd dat ze nog iets anders zeggen bij hun naam. Het huisnummer noemen vind ik een beetje saai, ik denk aan al die huizen en zeg: ‘vertel bij je naam hoeveel trappen je op moet voordat je voor je voordeur staat.’ Iedereen begint te denken en te tellen. We doen de ronde en alleen het noemen van het aantal trappen roept alweer andere dingen op: hoe noem je een huis dat beneden is, zonder trap? Kinderen geven woorden: begane grond, ‘huis’, beneden, parterre. Een kind zegt dat hij heel veel trappen heeft, in kleine stukjes, met steeds een plat stukje ertussen. Er wordt uitgelegd - op mijn vragen – over deuren, hekjes, tussendeuren, bellen. Trappen die binnenin je huis zijn. Ik vind het leuk en geef daarom hier en daar wat langer tijd om te vertellen. Als de bel ter sprake komt vraag ik een paar kinderen hoe hun bel klinkt. Er klinken zoemers, belletjes van trrring, dingdongs. De kinderen zijn heel betrokken, praten soms door elkaar heen maar iedereen blijft bij het onderwerp. Ik ben eigenlijk helemaal van mijn snoepidee af geraakt.
Ik besluit om een tekenopdracht te geven over voordeuren. Iedereen krijgt een A5 blaadje met een kader erop, een onderlegger en een potlood. ‘Teken je eigen voordeur’, zeg ik, ‘precies hoe hij er uit ziet, en ook wat er naast of boven de deur zit, misschien een brievenbus, een bel, een raam?’ Iedereen gaat tekenen, heel precies. Terwijl ze tekenen, en ik teken ook, kan ik even nadenken. Ik merk dat ik zin krijg om bij mijn tekening te vertellen. Dat is dus mijn volgende opdracht: vertel aan je buur over je voordeur, bij de tekening. Degene die luistert mag vragen stellen. Er is een druk gepraat in tweetallen, iedereen wijst op tekeningen. Zo helpt een tekening bij het vertellen over details, waar je zonder tekening misschien niet zo snel op zou komen. Alleen de voordeur beschrijven vind ik nu niet genoeg voor een schrijfopdracht. Ik vertel, als het weer stil is, hoe ik vaak thuiskom en dan mijn fiets bij de voordeur zet, en dan getik hoor op het raam van de buurvrouw. De buurvrouw ziet me thuiskomen en wil een praatje maken. Ze komt uit de deur. Ik sta te praten met de sleutels in mijn hand, want eigenlijk wil ik naar boven. Ik vraag bij wie ook wel eens iets gebeurt voor de deur. De kinderen vertellen eerst ook over buurvrouwen. Die bijvoorbeeld over het balkon hangen en roepen: ‘Waar is je moeder?’ Maar ook andere dingen: kinderen die aanbellen, broertjes die de deur vlak voor je neus dichtslaan terwijl je geen sleutel hebt. Thuiskomen en er is niemand. Ik laat ze nog eens een tweetalgesprek doen, nu met de buur aan hun andere kant, over dingen die voor de deur gebeuren. Ik ben tevreden. Er kan een goede schrijfopdracht volgen met twee onderdelen: beschrijf eerst precies hoe je voordeur er uitziet, en dan over iets dat daar vlak voor wel eens gebeurd is. De kinderen beginnen allemaal meteen te schrijven.
Hoe langer ik met taalvorming werk, hoe zekerder ik ben geworden dat er altijd iets is om over te praten in een groep en vervolgens over te schrijven. Eenvoudig omdat iedereen, ook elk basisschoolkind, de hele dag van alles waarneemt en beleeft. Soms hoor ik leerkrachten veronderstellen dat hun schoolkinderen zo weinig meemaken, en dat kringgesprekken over eigen ervaringen daardoor vaak zo saai zijn. Mijn ervaring is tegengesteld. Als ‘iets meemaken’ niet betekent: naar een pretpark zijn geweest of je been hebben gebroken, maar als het ook kan betekenen: iets kleins waarnemen of een dagelijkse gebeurtenis nauwkeuriger bekijken, dan maken juist kinderen heel erg veel mee. De deskundigheid van taalvormers bestaat erin, zulke kleine ervaringen te herkennen, in de verhalen van kinderen en in hun eigen leven. En om ze vervolgens om te zetten in vragen die bij iedereen weer nieuwe ervaringen oproepen. Tijdens een onvoorbereide taalronde zoals hierboven beschreven, maak ik voortdurend keuze, in wisselwerking met wat de kinderen inbrengen, en puttend uit het arsenaal van werkvormen die bij taalvorming ontwikkeld zijn.
Suzanne van Norden
Dit artikel maakt deel uit van een serie artikelen over taalvorming die eerder verscheen in Moer, tijdschrift voor het onderwijs in het Nederlands, onder de titel wanneer gaan we nou werken. De gehele serie is terug te vinden in deze achtergrondartikelen