actueeltaalvorming in de praktijktaalvorming en drama
taalvorming en theoriën over onderwijs en taaloverzicht

Praktijk

Dingen in de kring

In mijn huis heb ik vierkante en langwerpige voorwerpen verzameld en in een zakje gestopt. Vanochtend bij groep drie haal ik ze een voor een tevoorschijn en leg ze op kartonnetjes op een tafel midden in de kring. Een strippenkaart, een washandje, een pannelap, een snoeppapiertje, een boterhamzakje, een leitje, een gestreept papieren zakje, een envelop, een briefkaart, een papieren zakdoekje, een pleister, een suikerzakje, een diskette, een cassettebandje, een dollarbiljet, een vilten onderleggertje, een zakje kruiden. Een blokje gele plakbriefjes. 'Dat is voor telefoon', zegt Moona beslist.
De kinderen zitten er met hun neus bovenop, ze willen allemaal zeggen wat iets is of waar het voor is. Als ik gek word van de vingers zeg ik: 'Als je weet wat het is, zeg je niks maar doe je je benen over elkaar.' Het wordt meteen een stuk rustiger. Met over elkaar geslagen benen kan je niet voor de neus van de juf zwaaien.
Ik geef beurten voor benoemen en uitleggen.
Er zijn minder kartonnetjes dan voorwerpen. Daardoor worden de kartonnetjes een soort visuele categorieën: wat moet bij wat liggen? Ik vraag de kinderen waar ik iets moet neerleggen. En ook of ze iets willen veranderen van plaats. Een pannelap wordt naast het washandje gelegd. Waarom, dat weet ik niet, en ik vraag het nu ook nog niet. Een verplichte verantwoording vind ik een te hoge drempel in het spannende spel dat nu ontstaan is.
Later vraag ik het wel; dan blijkt bijvoorbeeld dat de strippenkaart naast een snoeppapiertje hoort, omdat ze toevallig precies hetzelfde formaat hebben.


Ik vraag wie iets te vertellen heeft bij een van de voorwerpen op de tafel. Selman staat op en pakt het washandje. 'Een washandje', zegt hij en kijkt afwachtend. Ik vraag waar hij dat gebruikt. 'Ik ga onder de douche', zegt hij. Op mijn vraag wat hij dan doet met het washandje begint hij te vertellen dat hij de zeep erin doet. Andere kinderen beginnen te lachen, ik zie ook herkenning: er wordt vast veel gespeeld onder douches.
Ik vraag door bij Selman over het douchen, wie doet de douche uit? Zijn moeder, blijkt. Want dan moet zijn broertje eronder. 'Gaan jullie nooit samen douchen?' vraag ik. Gelach bij de anderen. 'Nee', zegt Selman. Ik wend me tot de kring en vraag wie wel eens met iemand samen doucht of in bad zit. Chun vertelt giechelend hoe hij onder de douche met zijn neef speelt, en hoe ze soms de Barbiepop van zijn zusje meenemen. Ik zie aan vingers en gezichten dat er nog meer verhalen zijn, dat is goed. Maar ik vraag wie een ander voorwerp wil pakken om er iets bij te vertellen.
Ramazan pakt het dollarbiljet en vertelt meteen dat hij twee dollar had gekregen van zijn vader. Ik vraag wat hij er mee heeft gedaan. 'Geld gekregen', zegt hij. Dat snap ik niet. 'Hoe kan dat', vraag ik. Er volgt een lange uitleg, Ramazan spant zich enorm in om in het Nederlands, niet zijn eerste taal, duidelijk te maken wat er gebeurd is. De andere kinderen luisteren en proberen soms te helpen als ze denken te weten wat hij bedoelt. We komen er stap voor stap achter dat hij samen met zijn broertje het geld ergens is gaan wisselen. Het woord 'wisselen' gebruikt hij niet. Hij zoekt er duidelijk wel naar. En vindt het pas minuten later, als we alweer bijna in een ander verhaal zitten.

Yasmina heeft de pannelap gepakt. Ze is zichtbaar heel erg verlegen, maar ze heeft het ding toch zonder aarzelen gepakt. Ik zeg: 'Vertel maar'. Ze zegt: 'Mijn moeder heeft ook, maar dan lang, zo', ze wijst het aan. O ja, knikken sommige kinderen. 'Je hand kan er in.' 'Wat pakt ze dan?' 'Als het warm is.' Ik zie het nog niet helemaal voor me en vraag: 'Wat is het dan, wat ze pakt?' Yasmina lacht maar snapt mij niet. 'Waar komt het uit?' vraag ik. Die snapt ze wel. Ze maakt een gebaar van een vierkant ding en zegt erbij: 'Oven.' Aha. Ik vraag door: 'Wat maakt je moeder wel eens in de oven?' 'Gebak.' Ik wil weten wat gebak is. Na wat heen en weer praten vertelt ze dat haar moeder koekjes bakt. Daarover kan ik verder vragen en ineens lichten haar ogen op en wordt haar verhaal beeldend: als ze nog warm zijn liggen de koekjes op tafel. Ze moeten koud worden. Yasmina mag er wel eens eentje proeven.
Zo gaan we via de voorwerpen van verhaal naar verhaal.

De pleister.

Chenella vertelt dat ze was gevallen met de fiets. Ze vindt dat duidelijk genoeg, maar ik blijf doorvragen hoe het nu precies kwam dat ze viel. Haar wiel kwam naast de stoep, blijkt nu . Ze viel op haar knie.

De strippenkaart: Hasan moest met de trein ergens heen. 'Moest je stempelen?' Nee. 'Was het wel een trein', vraag ik nu. 'Ja, hij was geel.' We praten verder over hoe in de trein de deuren open gaan.

Het gestreepte zakje: Mohamed vertelt met een stroom van woorden en gebaren over snoepjes kopen in Marokko. 'En dan waren we op het hoekje, en dan gingen we het opeten.' Koekjes en chocola waren het. Ze deelden uit aan andere kinderen. 'Ook aan de uilen en de duiven', zegt hij. Op vragen verduidelijkt hij dat er een plek was met veel vogels. 'Ook kuikentjes. ' Wat zijn kuikentjes? 'Kleine kipjes', weten meerdere kinderen.

Wat doen voorwerpen in een taalronde? Ongeveer alles wat je in een taalronde nodig hebt, denk ik. Je kunt ze bekijken, betasten, benoemen, beschrijven. Je kunt vertellen waar je ze wel eens eerder hebt gezien, waar ze voor dienen of waarvoor je denkt dat ze misschien dienen. Je kunt ze in categorieën indelen. Je kunt erover van mening verschillen. Je kunt vertellen over gebeurtenissen waaraan ze je doen denken, en zo'n verhaal brengt anderen weer op hun eigen verhalen.
Voorwerpen roepen taal op - aan één stuk door voel ik tijdens de taalronde bij de kinderen de behoefte om iets te zeggen, te vertellen. Ik probeer het een beetje in banen te leiden, en verder doe ik als begeleider eigenlijk niets anders dan vragen stellen. Mijn vragen gaan uit van wat een kind zegt, zijn gebaseerd op mijn nieuwsgierigheid daarnaar en gericht op verduidelijking. Wat er voor verhalen komen, weet ik nooit van tevoren. Er komen er altijd heel veel. Ik help de kinderen tenslotte er een van te kiezen, om schriftelijk vast te leggen, in een tekening en in een bijbehorende tekst.

Suzanne van Norden

Dit artikel vormt onderdeel van een serie artikelen over taalvorming dat in verscheen in het tijdschrift Moer

Meer over het werken met voorwerpen in de kring is te lezen in het boek Dingen in de Kring. Taalvorming en drama in meertalige middenbouwgroepen van Suzanne van Norden.